Over luchtkwaliteit

Luchtverontreiniging en gezondheid

Luchtverontreiniging levert een belangrijke bijdrage aan ziekte en sterfte. Alleen al blootstelling aan fijnstof is verantwoordelijk voor zo’n 4% van de ziektelast in Nederland. Na roken (13%) behoort luchtverontreiniging daarmee tot één van de belangrijkste risicofactoren, in dezelfde orde van grootte als overgewicht (5%) en weinig lichamelijke activiteit (3-4%).

De lucht is een stuk schoner geworden, maar er is nog aanzienlijke gezondheidswinst te behalen. Om dat te bereiken moet de luchtkwaliteit zelfs verder verbeteren dan de Wereldgezondheidsorganisatie adviseert, zo stelt de Gezondheidsraad. Dat vraagt om ambitieuze plannen van de overheid.  

Grenswaarden 

Wettelijke grenswaarden en actiedrempels zijn meestal een politiek bepaalde compromis tussen haalbaarheid en gezondheid. Veel van de wettelijke normen komen direct uit Europese richtlijnen

Er zijn jaargemiddelde normen, daggemiddelde normen (PM10) en uurgemiddelde normen (NO2). Dag- en uurgemiddelde normen mogen een aantal keer per jaar worden overschreden. De belangrijkste staan in de tabel hieronder.

StofSoort normConcentratie
NO2Jaargemiddelde40 µg/m3(sinds 2015)
NO2Uurgemiddelde (mag max. 18 keer per jaar worden overschreden)200 µg/m3
PM10Jaargemiddelde40 µg/m3
PM10Daggemiddelde (mag max. 35 keer per jaar worden overschreden)50 µg/m3
PM2,5Jaargemiddelde25 µg/m3
PM2,5Jaargemiddelde 20 µg/m3 (vanaf 2020)

Stikstofdioxide

Alleen op vijf locaties binnen Rotterdam (langs in totaal 1,5 km gemeentelijke weg) wordt de wettelijke grenswaarde voor stikstofdioxide nog overschreden. Blootstelling aan stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt een verminderde longfunctie, een toename van luchtwegklachten, astma-aanvallen en een verhoogde gevoeligheid voor infecties. 

Voor stikstofdioxide is de WHO-advieswaarde hetzelfde als de huidige wettelijke grenswaarde (40 µg/m3). De WHO-advieswaarde wordt dus op de meeste plaatsen in Zuid-Holland bereikt. Wel is de WHO op dit moment bezig om de WHO-advieswaarde van stikstofdioxide te herzien. 

Fijnstof (PM10)

In Nederland leven mensen korter door blootstelling aan hoge concentraties fijnstof. De effecten treffen vooral ouderen en mensen met hart-, vaat- of longaandoeningen, maar ook kinderen kunnen extra gevoelig zijn. Gezondheidseffecten van fijnstof kunnen ook optreden bij langdurige blootstelling aan lagere concentraties. Ook als de concentraties onder de Europese grenswaarden liggen, treden daarom nog steeds gezondheidseffecten op. Levenslange blootstelling in deze vorm kan leiden tot blijvende gezondheidseffecten zoals verminderde longfunctie, verergering van luchtwegklachten en vroegtijdige sterfte door met name luchtwegklachten en hart- en vaatziekten. De wettelijke jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 fijnstof is 40 µg/m3,  de WHO-advieswaarde is 20 µg/m3.

De kaart hieronder met berekende gegevens geeft aan hoe de concentraties in 2017 zich verhouden ten opzichte van de WHO-advieswaarden. Alle gebieden met een gele en oranje kleur in de kaart liggen boven de WHO-advieswaarde voor PM10. Gebieden met een groene kleur liggen onder de WHO-advieswaarde. Dit zijn vooral de landelijke gebieden. In de stedelijke gebieden ligt de concentratie meestal nog boven de WHO-advieswaarden.

Zeer fijnstof (PM2,5)

Sinds 2015 bestaan er wettelijke grens- en streefwaarden voor de fijnere fractie van fijn stof (PM2,5: deeltjes kleiner dan 2,5 micrometer). Deze zeer fijne fractie dringt diep door in de longen en is schadelijk voor de gezondheid. De wettelijke grenswaarde is nu 25 µg/m3 en wordt in 2020 20 µg/m3.  Deze norm wordt in Zuid-Holland niet overschreden. De WHO-advieswaarde voor PM2,5 is 10 µg/m3,, deze waarde wordt in Zuid-Holland op veel plaatsen overschreden. In deze fractie vallen roet en deeltjes die in de lucht ontstaan uit gassen die door menselijk toedoen zijn veroorzaakt.

De gele en oranje gebieden op deze kaart liggen boven de WHO-advieswaarde. PM2,5 vormt een “deken” boven Europa waarbij alleen in de kustgebieden en in Goeree-Overflakkee soms al concentraties lager dan de WHO-advieswaarde voorkomen. In de grote steden is de concentratie nog iets verhoogd t.o.v. deze deken door lokale bronnen zoals het wegverkeer of het stoken met hout. Deze kaart geeft berekende concentraties.

Meten en berekenen

Meetstations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit meten elk uur concentraties van fijnstof. Er zijn regionale en stedelijke meetstations en meetstations in straten met veel wegverkeer. Daarbij gaat het om de metingen van totaal stof (sinds 1972 in Rotterdam), PM10 (sinds 1993) en sinds 2008 ook van PM2,5. Sinds 2014 wordt ook de roetfractie (als elementair koolstof) op een beperkt aantal meetpunten gemeten. Naast het meten van luchtkwaliteit wordt de luchtkwaliteit (op plekken waar geen meetstations staan) berekend, onder meer op basis van verkeersgegevens.

Aangezien het wegverkeer en in het bijzonder dieselvoertuigen de belangrijkste bron zijn van stikstofdioxide, zijn de concentraties van de stadsstations en vooral die van de straatstations duidelijk hoger dan die van de regionale meetstations. Bij de modellering van concentraties van stikstofdioxide en roet komen de berekende waarden redelijk goed overeen met de metingen.

Fijnstof in Nederland bestaat voor meer dan de helft uit secundair fijnstof dat in de lucht ontstaat na chemische reacties met zogenaamde “precursorgassen”. Chemische processen in de lucht en weersomstandigheden spelen een grote rol bij het ontstaan van fijnstof; dat bemoeilijkt de berekening van fijnstof. .De berekende concentraties van fijnstof op basis van bekende bronnen liggen systematisch lager dan de gemeten concentraties. De oorzaken van het lager berekenen van de concentraties fijnstof zijn niet met zekerheid vast te stellen. Waarschijnlijk zijn houtverbranding bij huishoudens (geschat op minimaal 5% van het totaal), natuurlijke oorzaken en bakken, braden, barbecueën en sigarettenrook veroorzakers van 30-40% van de fijnstof concentratie. 

Sensoren

Sinds enkele jaren helpt de provincie Zuid-Holland burgergroepen met het zelf meten van luchtkwaliteit. Ze stelt meetapparatuur beschikbaar en ondersteunt bij het meten zelf. Daarbij werkt de provincie samen met het RIVM en de DCMR. De gegevens kunnen worden geüpload  naar de website van het RIVM: www.samenmeten.rivm.nl. Het meten gebeurt met goedkope sensoren voor luchtkwaliteit (en in sommige gevallen ook met zogenaamde Palmesbuisjes). Het is logisch dat deze sensoren veel minder goede metingen doen dan de dure officiële meetstations.  De Europese regelgeving staat ook (nog) niet toe dat de officiële luchtkwaliteitsmetingen met sensoren worden uitgevoerd. Sensormetingen zijn daarom ook een indicatie van de luchtkwaliteit, maar zijn zeker bruikbaar om het gesprek over de luchtkwaliteit met andere partijen aan te gaan.

De provincie Zuid-Holland heeft gewerkt met de “RIVM-paddenstoel”, de sensoren van uHoo en de Luftdatenkits. In de praktijk bleek de connectiviteit en de betrouwbaarheid van de NOx-sensor van de RIVM-paddenstoel een (flink) probleem te zijn. Om die reden is de RIVM-kit aangepast en bevat deze (in elk geval tijdelijk) geen NOx-sensor meer. De uHoo sensor meet de binnenlucht; heel interessant omdat de meeste Nederlanders 85% van hun tijd binnen doorbrengen (en waarom zou je dan de buitenlucht meten?). Jammer genoeg bleek de kwaliteit van de uHoo sensoren te beperkt voor goede meetresultaten (uHoo overweegt de RIVM-sensoren te gaan gebruiken). De Luftdatenkits bevatten alleen een fijnstofsensor, zijn eenvoudig en goedkoop op internet te bestellen en zijn een mooi alternatief voor de RIVM-kits.

Het meten met sensoren kent wel aandachtspunten: 

  • Constante kalibratie van sensoren, door vergelijking met zowel officiële metingen als berekeningen, is noodzakelijk. De methoden voor kalibratie zijn nog in ontwikkeling en zullen de komende tijd dus nog veranderen. 
  • Ook na kalibratie blijft de onzekerheid in resultaten van sensoren aanzienlijk, met veel variatie per sensor. Gedetailleerde analyses van resultaten van individuele sensoren zijn in de meeste situaties dan ook niet zinvol. 
  • Ingeval van sensoren voor fijnstof is het belangrijk om te onthouden dat ze de kleinste fijnstofdeeltjes, zoals bijvoorbeeld afkomstig uit verbrandingsprocessen, niet kunnen meten.
  • De bruikbaarheid van sensordata neemt toe als de data van meerdere sensoren gezamenlijk wordt bekeken. Dat geldt ook voor het combineren van de sensordata met officiële meetgegevens en/of berekeningen.
  • In specifieke projecten, waarbij resultaten van sensoren worden geijkt en gecombineerd, kunnen de sensoren, ondanks alle in deze notitie genoemde beperkingen en aandachtspunten, zeker nuttige resultaten opleveren voor zowel burgers als overheden.